Joycehidding.jouwweb.nl
Home » Bewijs Reflectiemodellen

Bewijs Reflectiemodellen

Om nieuw gedrag te kunnen aanleren, moet je leren werken met ‘geoperationaliseerde’

leerdoelen. Dat betekent dat je het gedrag, waarmee je wilt experimenteren zo beschrijft, dat je weet wat je concreet moet doen. Om te kunnen vaststellen of je je leerdoel hebt bereikt is het nodig feedback te krijgen van anderen.

 

SMART

Een hulpmiddel voor het formuleren van goede leerdoelen is het SMART-model.

Een goed leerdoel is:

S Specifiek geeft precies aan wat je wilt ontwikkelen

M Meetbaar het resultaat is meetbaar

A Activerend geformuleerd in activiteiten, een actieplan

R Realistisch haalbaar gezien omstandigheden

T in Tijd gezet voorzien van een tijdsplanning

 

 

Het START-model

Je merkt dat het belangrijk is bij het formuleren van je leerdoelen steeds alle onderdelen heel concreet te beschrijven. Het SMART-model dwingt je hier vooraf goed over na te denken. Met een concreet geformuleerd leerdoel kun je vervolgens ook heel concreet mee aan de slag. Bij het schrijven van een evaluatie is het ook weer van belang dit zo helder mogelijk te doen. Het is goed om daarbij gebruik te maken van concrete situaties waarin je hebt kunnen oefenen met het specifieke leerdoel. START staat voor:

S = Situatie

T = Taak

A = Actie

R = Resultaat

T = Transfer

 

Korthagen

Bij het reflectieproces maken we gebruik van het stappenplan van Korthagen8:

 

STAP 1 - handelen/ervaring opdoen (betekenisvolle situatie)

  • Gevoelssignaal herkennen.
  • Bewust worden van de betekenisvolle situatie.
  • Selecteren van de betekenisvolle situatie.

 

STAP 2 - afstand nemen en terugkijken op deze situatie.

  • Concretiseren van betekenisvolle situatie.
  • Expliciet maken van de betekenisvolle situatie en jouw gedrag daarin.
  • De betekenisvolle situatie vanuit verschillende invalshoeken bekijken.
  • Nadenken over eigen willen/denken/voelen/handelen.
  • Analyseren van eigen willen/denken/voelen/handelen.
  • Confronteren met eigen subjectieve theorieën; persoonlijk werkconcept.
  • Ontdekken van werkmodel of structuur in handelen.
  • Ontdekken van effecten van jouw handelen op jezelf en anderen.
  • Het leggen van verbanden tussen eigen handelen en reactie van omgeving.
  • Een verband ontdekken tussen jouw handelen in deze en andere situaties.
  • Een patroon ontdekken in jouw handelen in deze en andere situaties

(generaliseren).

  • Het verkrijgen van inzicht in beweegredenen voor eigen gedrag.
  • Consequenties overzien en vaststellen: van het vertoonde gedrag/handelen in de

betekenisvolle situatie. De consequenties zijn gericht op het eigen handelen in het verleden. De vragen zijn: “Wat wilde ik?” en “Wat waren de gevolgen voor mijzelf en anderen?”

 

STAP 3 - het expliciet formuleren van de kern; de essentiële aspecten van de betekenisvolle

situatie.

Wat is daarin voor mij het belangrijkst? Wat is voor mij het moeilijkst? Wat ging goed?

Consequenties overzien en vaststellen van formulering onder STAP 3.

Vaststellen wat mogelijke consequenties van gedrag kunnen zijn voor de toekomst. De

consequenties zijn dus gericht op toekomstig handelen. De vragen zijn: Wat wil ik? en Wat zijn de mogelijke gevolgen voor mijzelf en anderen? Vul voor jezelf de volgende zijn in: ‘Als ik ………. (niet) doe, dan is …………. het gevolg’.

 

Beslismoment

Keuze maken of je in de toekomst anders wilt handelen. Je gaat naar STAP 4, of niet.

In dit laatste geval kies je geen alternatieve handelswijze. Het kan zijn dat je hiermee je

handelen op een zeker aanvaardbaar (professioneel) niveau handhaaft, maar het kan ook zijn dat je ervoor kiest om je professioneel handelen niet te verbeteren (om welke reden dan ook). Wanneer dit laatste het geval is en de reflectie plaatsvindt in het kader van het beroep of de opleiding, dan is het in dit stadium noodzakelijk je af te vragen of je (op dit moment) verder wilt en kunt met/geschikt bent voor deze opleiding of beroep. Immers, een beroepsopleiding volgen veronderstelt de wil om het beroep eigen te maken. Onderdeel hiervan is de reflectie op verbetering van dat beroepshandelen. Wil je, of kun je dat niet, dan moet je je afvragen of je op deze opleiding op je plaats bent.

 

 

STAP 4 - onderzoeken welke alternatieven er zijn voor eigen handelen (met behulp van theorie en/of ervaring van jezelf en van anderen).

Kiezen welk alternatief je gaat uitproberen om jouw (professioneel) handelen te

verbeteren.

 

STAP 5 - alternatief uitproberen (handelen/ervaring opdoen).

Met het uitproberen begint weer een nieuwe cyclus, waarmee de reflectiespiraal ontstaat