Joycehidding.jouwweb.nl
Home » Bewijs Belang educatief partnerschap

Bewijs Belang educatief partnerschap

Het onderstaande stuk komt uit Q*primair en is gemaakt als handleiding voor leraren over educatief partnerschap. Het belang van dit partnerschap staat hieronder beschreven. De totale handleiding is hier te lezen.

 

Partnerschap als trend

De ontwikkeling naar een sterker educatief partnerschap met ouders staat niet op zich. Scholen werken op steeds meer terreinen samen met partners. In de relatie tussen scholen en ouders komen echter nog vaak andere rollen voor dan de partnerrol. Daarom is de keuze voor partnerschap met ouders een bewuste keuze voor een manier van met elkaar omgaan.

Allerlei ontwikkelingen in en rondom scholen leiden ertoe dat scholen steeds vaker kiezen voor vormen van educatief partnerschap. We noemen er vier.

 

Meer leeromgevingen en meer leerbronnen binnen bereik

De school heeft niet langer het monopolie op 'kennisoverdracht' of het bevorderen van leren. Naast de school zijn er meer – soms rijkere – leeromgevingen waarin kinderen leren en meer leerbronnen waarvan ze gebruik (kunnen) maken. Educatieve partnerschappen met andere organisaties kunnen andere leeromgevingen of leerbronnen binnen het bereik van de leerlingen brengen. Dat kan bovendien bijdragen aan een integratie van binnen- en buitenschools leren.

 

Een schoolspecifieke invulling van schoolontwikkeling en professionele ontwikkeling

Scholen beseffen steeds sterker dat de schoolontwikkeling en de professionele ontwikkeling van de medewerkers gebaat zijn bij een schoolspecifieke invulling. Een invulling waaraan ze zelf in hoge mate sturing geven. Daarom zoeken scholen ook hiervoor naar educatieve partners. Zij ontwikkelen bijvoorbeeld nauwere banden met opleidingsinstituten.

 

Onderdeel van een bredere infrastructuur

Scholen positioneren zich steeds vaker als onderdeel van een bredere educatieve of pedagogische infrastructuur. Dat vergt samenwerking met tal van organisaties. Denk aan voorschoolse voorzieningen (kinderopvang, peuterspeelzalen) en scholen voor voortgezet onderwijs. Maar ook aan organisaties die samen met de school volledige dagarrangementen mogelijk maken of instellingen uit de sfeer van welzijn en jeugdhulpverlening. Soms leiden die partnerschappen tot structurele samenwerkingsconstructies, zoals een school met een voorschool, of een brede school.

 

Medeopvoederschap

Steeds duidelijker wordt dat ouders niet meer de enigen zijn die opvoeden. Scholen houden zich steeds nadrukkelijker bezig met de ontwikkeling van waarden en normen, bevordering van integratie, ontwikkeling tot actief burgerschap, bevordering van sociale cohesie, kortom met opvoeding. Maar hoever gaat hun taak en wat behoort tot de verantwoordelijkheid van ouders? Dat vraagt om afstemming. En juist bij opvoedingsproblemen lopen scholen snel tegen hun grenzen aan. Ook dat is een aanleiding voor (een versterking van) educatief partnerschap met ouders en met andere instellingen.

 

Gezamenlijk belang

Bij het scheppen van optimale condities voor de ontwikkeling en het leren van kinderen hebben school en ouders beide belang. Ze hebben immers het beste vóór met de kinderen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. Erkenning van dit gezamenlijke belang geeft de relatie niet alleen richting, maar tegelijkertijd een stevige basis. Richting, omdat die optimale condities niet vanzelf ontstaan, maar moeten worden geschapen. En basis, omdat partners elkaar op dit gezamenlijke belang kunnen aanspreken.

 

Het belang van pedagogische afstemming

De relatie tussen school en ouders is geen doel op zich, al lijkt het daar in de praktijk soms wel op. De relatie staat primair in het teken van de gezamenlijke zorg voor de optimale condities waaronder kinderen zich ontwikkelen en leren, thuis en op school. Dat is van groot belang, want kinderen groeien op in verschillende pedagogische milieus. Doorgaans is het gezin het eerste opvoedmilieu. Scholen vormen – net als kinderopvang en peuterspeelzalen – een ander belangrijk opvoedmilieu, zowel naar hun aard als naar het aantal uren dat een kind daar verblijft. Opgroeien in verschillende milieus kan (en moet) een verrijking voor een kind betekenen. Het kan echter ook verwarrend zijn, zeker in het begin en als er grote verschillen zijn in taal en cultuur, in wat mag en wat niet mag, in activiteiten, enzovoort.

Opvoeders en medeopvoeders kunnen kinderen helpen bij de overgang naar een ander milieu of bij het overbruggen van de verschillen. Dat kan echter alleen als ze zelf zicht hebben op die verschillen en die kunnen duiden. Het is dus in het belang van het kind dat ouders en school elkaars opvoedmilieu kennen, dat ze laten zien dat ze wederzijds betrokken zijn en dat er een proces van pedagogische afstemming plaatsvindt.

De term afstemming blijkt nogal eens misverstanden op te roepen. Zo zou afstemming tussen  denken en handelen. Of: genoegen nemen met de grauwe middenmaat. Alsof je als school niet je eigen maatschappelijke en pedagogische doelen zou kunnen blijven volgen en niet je eigen schoolcultuur zou en vormgeven naar je eigen professionele normen. Niets is minder waar Daarom is het goed te beseffen dat afstemming verschillende gradaties kent.

 

a. Verschillen tussen opvoedmilieus duiden en er in je eigen denken en handelen rekening mee houden

Dit is een basale vorm van afstemming. Betrokkenen weten voldoende van elkaars praktijk en/of kijk op opvoeding van kinderen om aan de kinderen uit te kunnen leggen waarom er verschillen zijn in bijvoorbeeld de omgangsvormen en eventuele achterliggende waarden en normen. En als ze vinden dat bepaalde aspecten in de opvoeding in het andere milieu onvoldoende aandacht krijgen, kunnen ze er zelf wel aandacht aan schenken.

 

b.  Verschillen tussen opvoedingsmilieus verminderen

Deze vorm van afstemming gaat al een stap verder. Een veel gebruikte methodiek is het zorgen voor herkenningspunten in het andere milieu: het zingen van bekende liedjes, het gebruik van bekende woorden of uitdrukkingen, het vieren van bekende feesten.

 

c.  Gezamenlijke afspraken maken over hoe te handelen

Hier is sprake van een verdergaande vorm van afstemming: (individuele) ouders en school maken afspraken over hoe ieder in zijn situatie het beste kan handelen in het belang van de ontwikkeling van het kind of de kinderen. Een voorbeeld hiervan zijn afspraken over de aanpak van pesten, gepest worden, faalangst of moeilijk te hanteren gedrag.

 

Van énige gelijkschakeling is dus pas in de verdergaande vormen van afstemming sprake. Pedagogische afstemming betekent primair dat je als opvoeder of medeopvoeder je voordeel doet met de kennis die je hebt over het pedagogisch denken en handelen in het andere milieu. Goed geïnformeerd zijn over hoe de ander aankijkt tegen de opvoeding en de ontwikkeling van kinderen en zijn eigen rol daarin, is daarvoor een basisvoorwaarde.

 

Drie algemene doelen van partnerschap

Tegen deze achtergrond zijn er drie algemene doelen van partnerschap te onderscheiden.

 

  1. a.      De pedagogische doelstelling

Deze doelstelling omvat het scheppen van zo gunstig mogelijke voorwaarden voor de ontwikkeling en het leren van kinderen, thuis en op school. Ze focust vooral op pedagogische afstemming en de directe interactie tussen volwassenen en kinderen. Hieronder valt bijvoorbeeld: zorgen dat je weet wat er speelt en daarvoor belangstelling tonen, afspraken maken om thuis en/of op school zaken anders aan te pakken (en die nakomen), zorgen voor een veilige, ondersteunende en uitdagende omgeving, enzovoort.

 

  1. b.      De organisatorische doelstelling

Hierbij gaat het om een actieve betrokkenheid van ouders bij schoolactiviteiten, vooral in de sfeer van meehelpen en meedenken. Dit kan verder gaan dan alleen de uitvoering van allerlei hand- en spandiensten. Ouders kunnen ook coördinerende taken hebben onder eindverantwoordelijkheid van de school of zelf de eindverantwoordelijkheid nemen voor een activiteit.

 

  1. c.      De politiek-maatschappelijke of participatiedoelstelling

Deze doelstelling richt zich op de informele èn formele zeggenschap van ouders. Ze staat ook in verband met de verantwoording die de school over haar werk aflegt, onder meer aan de ouders. Het gaat om de actieve participatie van zoveel mogelijk ouders in allerlei zaken die onderwijs en school betreffen, vooral in de vorm van meedenken en meebeslissen. Belangrijke organen hiervoor zijn de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad (met wettelijk geregelde advies- en instemmingsrechten voor ouders), soms de activiteitencommissie, de ouderraad, de oudervereniging, soms het bestuur, of werkgroepen die functioneren als denktank of beleid voorbereiden.

 

De drie doelstellingen staan niet los van elkaar. Activiteiten voor het ene doel kunnen vaak ook een bijdrage leveren aan de realisering van een ander doel. Meehelpen op school (organisatorische doelstelling) kan ertoe leiden dat ouders en teamleden elkaar beter leren kennen en dat ouders meer zicht krijgen op hoe het er op school aan toe gaat. Daarmee kunnen dit soort activiteiten niet alleen bijdragen aan de pedagogische doelstelling (betere afstemming). Ze kunnen ook drempelverlagend werken richting meedenken en meebeslissen (participatiedoelstelling).