Joycehidding.jouwweb.nl
Home » 2. Vaardigheden

2. Vaardigheden

Niveau 1

De student kan kwaliteiten bij kinderen herkennen en benoemen. De student observeert hoe kinderen met elkaar omgaan en beschrijft het handelen van de stagementor om dit te beïnvloeden.

 

Ik kan bij ieder kind kwaliteiten herkennen en benoemen
Ieder kind is uniek en heeft zijn eigen kwaliteiten. Hoe ik hiernaar kijk heb ik beschreven in de eerdere competentie beschrijving van 01-11-2011. Een voorbeeld uit mijn stage in groep 1/2 kan ik halen uit mijn observaties. Leerling J nam telkens initiatief om een activiteit te gaan doen. Ze pakte eerst een boek om te gaan lezen met leerling L. en vroeg of L het kon lezen (zij kon dat zelf nog niet). Toen bleek dat L. ook niet kon lezen zei ze direct "Oke. Dan gaan we wat anders kiezen, wat zullen we doen. Verven? Tekenen? Bij de zandbak?" Haar kwalitieit is dat ze initiatief kan nemen. Bij een ander voorbeeld uit een observatie is te lezen hoe de leerlingen elkaar helpen.

 

Ik observeer hoe kinderen met elkaar omgaan en beschrijf het handelen van de stagementor om dit te beïnvloeden
Tijdens mijn verschillende stages (op de ALO en op de pabo) heb ik het gedrag van stagementoren geobserveerd. Wat mij hierbij op is gevallen beschrijf ik in de eerdere competentie beschrijving van 01-11-2011. Bij verschillende lessen heb ik observaties gedaan naar het gedrag van de leerlingen en de docent.
Vooral bij de kleuters zijn er vaak incidentjes waarbij het ene kind last heeft van een ander. De stagementor stimuleert hen altijd door het zelf op te lossen bijvoorbeeld door te zeggen; "Zeg tegen S. Stop, hou op." Het gevolg daarvan is dat de leerlingen dat ook doen en leren om voor zichzelf op te komen.

  

Niveau 2

De student houdt het leef- en werkklimaat in stand. Met de kinderen bespreekt hij de sfeer in de groep en de omgang met elkaar. Hij stuurt mede het proces van zelfverantwoordelijkheid, zelfstandigheid en samenwerking.De student ziet hoe kinderen met elkaar omgaan en welke gevolgen dat heeft voor het welbevinden van (individuele) kinderen. Hij vormt zich een beeld van de fysieke, sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van kinderen in haar groep.

 

Ik houd het leef- en werkklimaat in stand en bespreek de sfeer in de groep
Tijdens alle stages die ik gelopen heb ik het leef- en werkklimaat in stand gehouden. Ik heb op mijn manier lesgegeven en ben mezelf gebleven, maar heb er bewust voor gekozen om zoveel mogelijk de regels en structuur van de eigen docent te volgen. Dit geeft rust en structuur aan de leerlingen en zorgt dat ik mij kan concentreren op de lesinhoud. Wanneer het onrustig is in de groep bespreek ik met de leerlingen hoe de sfeer is. Wat ik doe om de sfeer en het werkklimaat prettig te houden laat ik zien in een lesvoorbereiding waarin in de hele ochtend de leiding over de groep had. In de ochtendplanning 18-04 is te lezen welke vragen ik aan kinderen stel om te zorgen voor een goed werkklimaat.

 

Ik stuur het proces van zelfverantwoordelijkheid, zelfstandigheid en samenwerking
Kunnen samenwerken met elkaar en daar gezamenlijke verantwoordelijkheid voor voelen vind ik erg belangrijk. Ik stuur het proces van samenwerking door lesjes met opdrachten doen waarbij samengewerkt moet worden. Hierbij vertel ik de leerlingen ook dat ze samen ervoor moeten zorgen dat de opdracht lukt. Een voorbeeld is een les over gedichten in groep en een les over ruiken. Bij beide lessen kon de opdracht alleen slagen als ze samenwerkten. In de lesvoorbereiding gedichten en lesvoorbereiding ruiken is te zien hoe ik de les heb ingericht. Naast het samenwerken moeten de leerlingen ook leren om zelfstandig te werken en leren dat ze niet elk moment hulp van de docent kunnen krijgen. In groep 1/2 heb dat geoefend met kinderen, ik deed een activiteit met een groepje en de rest moest zelfstandig aan het werk gaan. Hoe ik dat heb aangepakt laat ik in de ochtendplanning 11-04.
Bij het kunnen zelfstandig en samenwerken hoort dat de leerling zich ook zelfverantwoordelijk voelt. Bij de gymlessen die ik op de Dapperschool geef, besteed ik veel aandacht daaraan. Zo geef ik lessen waarbij de leerlingen (groep 5 t/m 8) in een groepje van 3 tweetallen werken. Ze nemen dan om de beurt de rol van scheidsrechter in en zijn samen verantwoordelijk voor eerlijk spelen en het laten regelen van de puntentelling door de scheidsrechters. Ze vullen dan ook de score zelf op een formulier in, dat is te vinden op de pagina bewijs sturing proces samenwerking.

 

Ik zie hoe kinderen met elkaar omgaan en welke gevolgen dat heeft voor het welbevinden van het kind
Samenwerking is voor mij als leerkracht erg belangrijk in een groep. In mijn lessen kijk ik dan ook veel naar hoe de kinderen met elkaar omgaan. Tijdens de gymlessen die ik geef op de basisschool de Dapper heb ik gezien dat negatief met elkaar omgaan ook negatieve gevolgen heeft voor het welbevinden van het kind en daarmee ook de sfeer in de groep. Om kinderen te leren goed met elkaar om te gaan heb ik een lessenreeks gegeven waarbij ze samenwerkingsopdrachten kregen. Een voorbeeld heb ik laten zien op de pagina bewijs sturing proces samenwerking. Om aan te tonen dat ik kan zien hoe kinderen met elkaar omgaan en de gevolgen daarvan heb ik een verslag geschreven over mijn ervaring op de Dapperschool. Dit is te lezen op de pagina Bewijs omgaan met elkaar en gevolgen.

 

Ik vorm een beeld van de fysieke, sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van de kinderen in mijn groep
Door het gedrag van mijn leerlingen te observeren vorm ik mijzelf een beeld van de ontwikkeling van kinderen. Dit is in alle groepen het geval. In de stageklas groep 1/2 heb ik ook de beginsituatie van de leerlingen beschreven. Dit heb ik bij comeptentie 3 als bewijs aangeleverd op de pagina bewijs beginsituatie eigen groep. Ook heb ik met de stagedocent regelmatig gesproken over de algehele ontwikkeling van de kinderen en de groep. De groep was namelijk nog erg jong wat betreft de sociaal-emotionele ontwikkeling. Waaraan ik dat heb kunnen zien beschrijf ik op de pagina bewijs beeld vormen ontwikkeling groep.

 

 

Niveau 3

De student creëert en bevordert een positief pedagogisch klimaat. Hij bevordert zelfverantwoordelijkheid en zelfstandigheid van en samenwerking tussen kinderen. Hij zet kwaliteiten van kinderen in in het leer- en ontwikkelproces. De student kan van elk kind in zijn groep beschrijven hoe het zich ontwikkelt op fysiek, sociaal-emotioneel, cognitief en moreel gebied. De student signaleert adequaat leer- of ontwikkelingsproblemen en kan beoordelen of en hoe hij deze zelf kan aanpakken of doorverwijzen.

 

Ik creëer en bevorder een positief pedagogisch klimaat
Wanneer er een positief pedagogisch klimaat is in de klas is er een goede relatie tussen de leraar en leerlingen en leerlingen onderling. Iedereen voelt zich veilig in de groep en wordt uitgedaagd tot leren en ontwikkelt zich op alle gebieden. Dit klimaat bevorder ik door helder naar leerlingen te zijn. Leerlingen weten wat ik van hen verwacht en weten ook wat ze van mij kunnen verwachten. Door mijn daadkracht en zorgvuldigheid zorg ik ervoor dat de regels consequent nageleefd worden. Naast het bieden van structuur in de klas besteed ik veel aandacht aan de relaties onderling en geef leerlingen vertrouwen in zichzelf. Ik kijk naar kwaliteiten en geef leerlingen de ruimte om hun eigen kwaliteiten in te zetten tijdens de lessen. Welke kwaliteiten ik als leraar inzet om een positief pedagogisch klimaat te creëren is te lezen op de pagina bewijs positief pedagogisch klimaat.

 

Ik bevorder zelfverantwoordelijkheid en zelfstandigheid van en samenwerking tussen kinderen
Bij niveau 2 van pedagogisch competent zijn heb ik met voorbeelden uit mijn stage in groep 5 en 1/2 laten zien hoe ik het proces van zelfstandigheid en samenwerking bevorder. In de stage van groep 8 heb ik de zelfverantwoordelijkheid, zelfstandigheid en samenwerking van kinderen ook gestimuleerd. Tijdens een les nieuwsbegrip over superhelden heb ik vooral de zelfstandigheid en samenwerking van de sterke lezers bevordert. Zij mochten in een groepje zelfstandig de opdrachten maken en daarna samen nakijken. Hoe dat verliep beschrijf ik in het evaluatieverslag 11-10-2011.
Gedurende de stageperiode heb ik de leerlingen geleerd om te werken met uitgestelde aandacht, het GIP model. Daarmee heb ik de zelfstanidgheid bevorderd: je kunt het zelf, zonder gestoord te worden, de zelfverantwoordelijkheid: je kunt zelf om hulp vragen aan als je dat nodig hebt en de samenwerking bevorderd: je kunt anderen helpen. Tijdens het werken met het GIP model heb ik regelmatig met de leerlingen gesprekken gehad over het ging en hoe we het zelfstandig werken konden verbeteren. Hoe dit proces is verlopen beschrijf ik in het evaluatieverslag over het GIP model.

 

Ik zet kwaliteiten van kinderen in in het leer- en ontwikkelproces
Ieder kind is ergens goed in. Wanneer kinderen benadert worden vanuit hun kwaliteiten gaat het leren gemakkelijker en beleven ze er meer plezier aan. Tijdens de lessen gebruik ik de verschillende kwaliteiten van kinderen in het leer- en ontwikkelingsproces. Zo laat ik een leerilng die minder sterk is in lezen, maar graag de leiding neemt in de groep, de leiding nemen bij het nakijken van de tekst van begrijpend lezen. Zo gebruik ik de kwaliteit van deze leerling als motivatie om geconcentreerd de stof van het begrijpend lezen te oefenen. Hoe ik dat precies heb gedaan beschrijf ik in het stuk bewijs kwaliteiten kinderen inzetten. Daarin zijn ook andere lesvoorbeelden te vinden. Doordat ik als leerkracht goed kan kijken naar positieve kanten van kinderen kan ik dit gebruiken in het leerproces van het kind. Vanuit de positieve kenmerken, kwaliteiten van het kind werk ik aan de ontwikkelpunten.

 

Ik kan van elk kind van mijn groep beschrijven hoe het zich fysiek, sociaal-emotioneel, cognitief en moreel ontwikkelt
Bij vaardigheden niveau 2 heb ik aangetoond hoe ik van mijn kleuter stageklas de ontwikkeling in beeld heb gebracht. Na een aantal weken stage te hebben gelopen heb ik van mijn stagegroep 8 de totale ontwikkeling beschreven per leerling. Deze ontwikkeling is gebaseerd op het gedrag, houding naar anderen en resultaten. Omdat ik de sociale ontwikkeling belangrijk vind let ik daar bij de gymlessen ook altijd op. Vorig jaar heb ik per klas kort opgeschreven hoe de houding van individuele leerlingen tijdens de gymlessen naar de docent en medeleerlingen was. Dit heb ik in de leerlingenbespreking naar voren gebracht en in een overzicht aangeleverd naar mijn collega's, de mentoren van de klassen. In een voorbeeld van mijn beschrijving van een klas van het roc is te lezen hoe ik dat toen heb gedaan. Interessant is dat toen ook op resultaat en houding/gedrag mijn mening gaf. Nu doe ik dat nog steeds. Het verschil is natuurlijk dat ik nu meer informatie heb over de cognitieve ontwikkeling dat ik heb bij gymlessen.

 

Ik signaleer adequeaat leer- of ontwikkelingsproblemen en beoordeel of ik deze zelf kan aanpakken of doorverwijs
Ik heb kennis van leer- en ontwikkelingsproblemen en kan deze signaleren bij kinderen. Op de stage heb ik mijn signaleringen gedeeld met de stagedocent. Doordat de stagedocenten mij van te voren niet op de hoogte hebben gebracht van de leerproblemen weet ik dat dit zelf kan signaleren. Bij deze leerlingen was er wel al een individueel zorgplan/handelingsplan en hoefde ik dus niet te beoordelen of ik dit zelf kon aanpakken of moest doorverwijzen. Wanneer ik dit in de toekomst in mijn eigen klas tegen kom zal ik na het signaleren overleg plegen met collega's. Een kwaliteit van mijzelf is dat ik heel helder ben, zorgvuldig en ik ben dat ook altijd naar mijn collega's. Zo noemen mijn collega's op het ROC mij communicatief competent en vinden zij dat ik informatief ben naar hen. Welke kwaliteiten zij nog meer noemden is hier te lezen. Dit toont aan dat ik in de toekomst kan inschatten of ik informatie nodig heb, overleg met anderen pleeg waar nodig en daarop kan beslissen of ik het leerprobleem zelf kan aanpakken of zal doorverwijzen. Wanneer ik ergens ga werken zal ik ook altijd informatie vragen van de groep om vooraf goed voorbereid te kunnen zijn. Wanneer er al leerproblemen gesignaleerd zijn wil ik dat weten, zodat ik mijn onderwijs daar meteen op kan afstemmen. Openheid vind ik erg belangrijk daarin en hoop ik ook te krijgen van mijn toekomstige collega's.