Joycehidding.jouwweb.nl
Home » Bewijs Sociaal-emotionele en morele ontwikkeling

Bewijs Sociaal-emotionele en morele ontwikkeling

De mens wordt pas men in zijn ontmoeting met de ander, de medemens. Kinderen zijn op hun opvoeding aangewezen. In het stuk hieronder vat ik theorie uit Meer dan Onderwijs op de pagina’s 85 t/m 90 samen.

 

De sociaal-emotionele ontwikkeling

Kinderen beseffen dat er een sociale omgeving is op het moment dat het eigen ‘ik’ kunnen onderscheiden van de omgeving; ze hebben dan het besef dat er een ‘zelf’ bestaat dat begrensd is tegenover de omgeving of de anderen. Vervolgens gaan kinderen op grond van ervaringen met andere kinderen volwassenen zichzelf eigenschappen toeschrijven. Deze kennis van het ‘zelf’ groeit uiteindelijk uit tot het besef van het ‘zelf iemand zijn’, de eigen identiteit.
De sociale ontwikkeling staat in verband met de fysieke en cognitieve ontwikkeling.

 

Vanaf ongeveer twee jaar wordt zowel de fysieke als de sociale ruimte van het kind vergroot. De omgang met leeftijdsgenoten geeft een goed beeld van zijn sociale ontwikkeling: tot ongeveer 2,3 á 3 jaar zullen kinderen in dezelfde ruimte spelen, elkaar nauwelijks in het spel betrekken. Vanaf het derde jaar komen al vaste vriendschappen voor. De motivatie voor deze vriendschappen is echter nogal groot. Vaak bestaan ze op grond van orde en regelmaat. Het egocentrisme maakt dat echte vriendschap, waarbij elkaar begrijpen en accepteren horen, nog moeilijk is. In de kleuterperiode worden vriendschappen op basis van sympathie gesloten.

Imitatie speelt een belangrijke rol in het ontwikkelen van sociale interactie. Vormen van ‘doen alsof’ kunnen beschouwd worden las sociodramatisch spel. Kinderen kunnen hierin hun denkbeelden over de werkelijkheid oefenen en hun taal en communicatieve vaardigheden ontwikkelen. Rond het 5e jaar worden kinderen op sociaal gebied steeds vaardiger. Contacten en samenspel nemen toe, maar ook rivaliteit en competitie. In spelsituaties herken je de volgende vormen:

  • Niets doen
  • Solospel
  • Toekijken
  • Parallel spel
  • Gemeenschappelijk spel

 

Het schoolkind laat zich meer leiden door regels, afspraken en verwachtingen. Dit komt mede tot uitdrukking in de waarde die kinderen hechten aan gehoorzaamheid, autoriteit en vriendschap. Identificatie als basis voor vriendschap is erg belangrijk. Kinderen maken een proces van socialisatie door. Ze passen zich aan de eisen van de groep aan. Kinderen willen graag aan de groepsnorm voldoen om zo geaccepteerd te worden. Een voorwaarden voor socialisatie is het kunnen innemen van een sociaal perspectief: hoe denken anderen over dingen en over mij? Tussen het 7e en 10e jaar neemt het vermogen toe zich te verplaatsen in de ander en kunnen kinderen regels en sociale rangorde beter begrijpen. De sociale interactie wordt nu doel op zichzelf. Conformisme is nodig om te kunnen functioneren in een groep. Het coöperatieve groepsspel ontstaat, een vrij ingewikkeld spel dat gebaseerd is op duidelijke afspraken en rol- en taakverdeling.

 

Morele ontwikkeling
Moraliteit heeft te maken met het onderscheid tussen wat goed is en wat verkeerd is. Het is van belang dat kinderen leren omstandigheden en hun eigen doen en alten te waarderen in het licht van bepaalde overtuigingen en waarden en dat ze zich intrinsiek verbonden voelen met bepaalde principes, waarden en idealen.

De school leert kinderen ‘meeloper en dwarsligger’ te worden. Kinderen komen in aanraking met de school als morele gemeenschap, waar centrale waarden worden voorgeleefd, maar ook kritisch tegen het licht worden gehouden. Zodat de kinderen leren uiteindelijk zelf zin te zoeken en hun leven zin te geven, de keuze maken om belangrijke overtuigingen en waarden te onderschrijven, rekening houdend met het welzijn van medemensen, en verantwoordelijk kunnen dragen.

 

Kinderen maken een lange ontwikkeling door voordat ze instaat zijn zichzelf te evalueren in het licht van bepaalde waarden en idealen. De morele ontwikkeling is sterk gebonden aan de interactie tussen opvoeders en kind. Je kunt vier voorwaarden onderscheiden die noodzakelijk zijn om van een moreel weten tot een moreel handelen te komen.

 

  1. Morele empathie
  2. Moreel redeneren
  3. Morele afweging
  4. Moreel gedrag

 

Kinderen maken voor deze vier voorwaarden een ontwikkeling door. Zowel de cognitieve als sociaal-emotionele ontwikkeling heeft invloed op de morele ontwikkeling.

 

Jonge kinderen zijn in staat om mee te voelen en mee te gaan in de emoties van de ander. Ze hebben empathie en kunnen anderen troosten. Ze begrijpen dat het verdriet van een ander is, maar ze raken nog vaak van streek in dergelijke situaties. Kleuters zijn ook hulpvaardig. De warden en normen worden voornamelijk door de ouders bepaald. Het krijgen van beloning en het vermijden van straf motiveert het kind om zich (moreel) te gedragen.

Kinderen vanaf 6 jaar kunnen de gevoelens van anderen benoemen. Oudere kinderen (10 jaar) kunnen zich ook verplaatsen in gevoelens van anderen. Het schoolkind gaat het handleen van zichzelf en anderen steeds meer benoemen in termen van goed en slecht. Regels zijn absoluut en onveranderlijk en worden door het kind letterlijk genomen (moreel realisme of heteronome moraliteit). Aan het eind van de schoolleeftijd vindt een tonwikkeling plaats waarbij regels gezien worden als gemaakt door mensen. Er ontstaat het besef dat regels pas kunnen bestaan als er sprake is van wederkerigheid en wederzijds respect (autonome moraliteit). Er vindt een internalisering van morele waarden en normen plaats.

Het toenemende besef van goed en slecht komt naar voeren in altruïstisch gedrag.

 

Kohlberg ontwierp een zeer gedetailleerde fasentheorie:

 

  1. het preconventionele stadium
  2. het conventionele stadium
  3. het post conventionele stadium

 

Het begrip conventie (overeenkomst) verwijst naar het besef dat er algemene regels of gedragscodes bestaan waaraan mensen zich in het algemeen dienen te houden. Jonge kinderen houden zich aan deze regels om straf te vermijden, maar het algemene gezichtspunt ontbreekt nog. Wanneer kinderen ouder worden zijn ze in staat afwegingen te maken. In de loop van de adolescentieperiode ontwikkelen kinderen autonome morele principes, die waarde en geldigheid hebben onafhankelijk van het feit of die principes gesteund worden door belangrijke mensen.