Joycehidding.jouwweb.nl
Home » Bewijs Opvoedingstheoriën

Bewijs Opvoedingstheoriën

Wat verstaan we onder opvoeding?

 

Waarom kinderen worden opgevoed: Om op eigen benen te staan en uiteindelijk als volwassenen te kunnen leven.

Eigenlijk voedt het hele leven je op, alles wat je als kind in je omgeving tegenkomt, doet je wat. Opvoeden is geen éénrichtingsverkeer maar een wisselwerking tussen ouder en kind.

 

Door een baby te verzorgen, hem te vertroetelen, tegen hem te lachen en te praten ‘voedt je de baby op’. De baby reageert daarop door te lachen, te kraaien en later door pogingen om rechtop te staan en de eerste stappen te zetten maar vooral door de eerste woordjes te zeggen.

Kinderen die niet worden geknuffeld, tegen wie niet wordt gelachen en gepraat, raken daarentegen achterop.

 

Gezag betekend: ‘te zeggen hebben over’. Het is ook de onvermijdelijke noodzakelijke voorwaarde van het opvoeden.

 

Legitimeren van macht:

-          Traditie: traditioneel gezag.

-          Charisma: op grond van een bijzondere gave die iemand bezit.

-          Wetten: legaal gezag.

-          Deskundigheid.

-          instemming met de doelen waarvoor en de middelen waarmee macht wordt uitgeoefend: functioneel gezag.

 

Bij gezag en gezagsaanvaarding is het vertrouwen een heel belangrijk aspect.

In de babyfase kan je niet spreken van gezagaanvaarding, het is meer een soort van gewenning dan opvoeding. Bij ongeveer 3,5 jaar kan je spreken van gezagsaanvaarding. Een puber begint in de houding van de volwassenen echtheid van onechtheid te onderscheiden.

 

Anti-autoritair (anti-pedagogiek): De opvoeder heeft een groot vertrouwen in de natuurlijke aanleg van het kind zelf en wil geen belemmeringen opwerpen op de weg die het kind zelf kiest. Het driftleven van een kind moet zich vrij kunnen uiten.

 

Opvoeden is de onvolwassen mens helpen om hem bekwaam te maken zelfstandig zijn levenstaak te volbrengen. Het gaat daarbij niet alleen om de persoonlijke relatie tussen opvoeder en opvoedeling, maar ook om de samenhang met het culturele en maatschappelijke leven.

 

Opvoedingsstylen:

Anti-autoritair: Het kind moet worden vrijgelaten, want het beschikt over zelfregulerende krachten. Ingrijpen van buitenaf is overbodig, tenzij het leven van de kinderen of anderen op het spel staat. Gebruik van macht en gezag wordt dus afgewezen, want onderwerping leidt slechts tot neurosen.

Autoritair: De opvoeders bepalen wat goed en slecht is voor het kind zonder dat ze rekening houden met het kind zelf. Hun opvoedingshandelen is niet communicatief en zijn meestal ook niet bevrijdend/emanciperend (geen sprake van vergroting van de zelfstandigheid). De opvoeders maken veel gebruik van macht (in de vorm van straffen en belonen).

Democratisch: De interactie tussen het kind en de opvoeder staat centraal (het zg. onderhandelingshuishouden). Het opvoedingsproces heeft als uiteindelijk doel de zelfstandigheid van het kind. Gezag is noodzakelijk (in de vorm van gebod en verbod). Van straffen wordt zeldzaam gebruik gemaakt.

Laissez-faire: De opvoeders laten hun kinderen hun gang gaan vanuit het perspectief ‘lekker makkelijk’ en niet vanuit een ideëel standpunt.

 

Soorten handelen:

-          Technisch of instrumenteel handelen: De relatie tussen doel en middel.

-          Praktisch of communicatief handelen: Het inleven in de standpunten van anderen.

-          Emanciperend of bevrijdend handelen: Is gericht op de vergroting van de zelfstandigheid van de opvoedeling, op het verwijderen van belemmeringen en op bewustwording van de eigen situatie.

 

(opvoeding) Handelen:

-          is intentioneel: iets bereiken d.m.v een middel.               -   is persoonlijk.      

-          is regelgeleid: aan normen gebonden                           -   vereist kennis van zaken.

 

‘Handelen is intentioneel’

D.m.v. handelen proberen we iets te bereiken, er is dus een doel dat bereikt moet worden. Wie alleen wordt beoordeeld naar het gevolg van zijn handeling en niet naar de bedoeling, voelt zich tekort gedaan. Bovendien kunnen handelingen andere gevolgen hebben dan bedoeld was.

‘Handelen is persoonlijk’

Er is iemand die een doel met een handeling heeft, deze is vaak karakteristiek voor een bepaalde persoon. We verwachten ook dat iemand consistent handelt en dus verantwoording af kan leggen voor je doen en laten.

‘Handelen is regelgeleid’

Ons handelen is altijd aan regels verbonden, daarom vallen eventuele fouten op.

‘Handelen vereist kennis van zaken’

Het vereist kennis van regelsystemen op allerlei terrein en van allerlei aard, maar ook van wereld waarin je leeft en van de gevolgen!

 

 - Wie veel handelingen en vaardigheden heeft geleerd, heeft meer mogelijkheden en daarmee een grotere keuzevrijheid -

 

-          Uitwendige vrijheid = vrijheid die de omstandigheden, de (sub)cultuur of de sociale controle toestaan

-          Inwendige vrijheid = Vrij zijn van innerlijke dwang, maar ook het beschikken over mogelijkheden en het hebben van voorkeuren

-          Intentionele opvoeding = Opvoeding met de bedoeling om opvoedend bezig te zijn. Taak opvoeder: scheppen van een sfeer waarin de pedagogische relatie als vanzelf ontstaat à wissel- en samenwerking tussen opvoeder & kind.

 

Langeveld = Fenomenoloog

Onderscheidt in het geheel van de opvoeding:

  • Opvoeden als het handelen dat bewust wordt verricht om een opvoedingsdoel te bereiken
  • Actief deelnemen van de opvoedeling zelf aan zijn opvoeding
  • Omgang
  • Milieu

“Eerste levensjaren zijn gewenning en geen opvoeding te noemen aangezien er geen gezagsverhouding is tussen opvoeder en opvoedeling.”

“Opvoeden is een tweezijdig proces: opgevoed worden & zich opvoeden.”

“Omgang schept de gelegenheid voor het kind zichzelf te zijn en te worden en vormt het natuurlijke milieu waarin het zijn eerste kennis verwerft.”

“Milieu wordt gevormd door zaken zoals klimaat, economische situatie van het gezin, cultuur, enz. Er wordt nadrukkelijk gebruik gemaakt van opvoedingsmiddelen, handelingen of situaties om een doel te bereiken.” Hij staat voor een straf-arme opvoeding…

 

-          Pedagogisch gepreformeerd veld = in omgang volwassen en kind zit het opvoeden in aanleg opgesloten.

 

Emancipatie: Het wegnemen van belemmeringen op het gebied van het handelen, met als doel de vrijheid van het handelen te vergroten.

Mondigheid: De aanvaarding van de persoon als een volwaardig lid van de gemeenschap, het is een keerzijde van emancipatie. Kunnen meepraten en meebeslissen.

 

Primaire opvoedingsmilieu: het gezin.

Secundaire opvoedingsmilieu: de school.

 

Helmut Schelsky. De kinderen van de moderne gezinnen komen minder in aanraking met de wereld van arbeid en het openbare leven dan vroeger, volgens Schelsky gaat dit gepaard met de typische omwentelingsproblemen van deze tijd met zijn vele sociale veranderingen en conflicten.

 

Hoogveld: De opvoeding is gericht op het zelfstandig volbrengen van de levenstaak.

-          de vraag naar de zin van het leven.

-          De vraag naar de instandhouding van het leven. (Voeding, kleding, onderdak, enz.)

-          Het probleem van de ordening van de samenleving.

 

Kok: Hij legt de nadruk bij opvoeden op de zelfontplooiing van het kind, het opvoeden is de hulpverlening daarbij en de stimulering daarvan.

Hij vind dat intentionele en functionele pedagogieken veel met elkaar overeen komen direct of indirect. Direct om hem te vormen en naar een doel te leiden, of indirect, door situaties te hanteren waarin en waaraan de opvoedeling zichzelf kan ontplooien.

 

Traditionele pedagogiek: (J.D. Imelman)

Gaat van drie componenten uit: de opvoeder, de opvoedeling en de zaak. Maar legt de nadruk op de zaak. Ons handelen is gebaseerd op kennis van zaken.

De eerste levensperiode is er één van gewenning en niet van opvoeding, daarna pas komt de periode die opvoeding wordt genoemd. Pas wanneer de subject – object splitsing (‘inleven in’ en ‘afstand nemen van’) zich heeft voltrokken kunnen we van opvoeding spreken.

Later is de traditionele pedagogiek verder uitgebreid onder de naam: cultuurpedagogiek, het is een reflectie op de cultuuroverdracht in onze snel veranderende samenleving.

 

Opvoedingsmiddelen: worden bewust gebruikt om opvoedingsdoelen te bereiken.

Opvoedingsfactoren: spelen hun opvoedende rol in de omgang en zijn dus niet bewust gekozen om opvoedend te werken.

 

Pedagogische atmosfeer: De gevoelsmatige voorwaarden van de opvoeding. Vanuit de opvoeder gaat het om vertrouwen in het kind, om geduld, goedheid en beschikbaar zijn, vanuit het kind gaat het om vertrouwen in de opvoeder.

Pedagogisch klimaat:  De instelling van de ouders ten aanzien van het leven als geheel, om hun betrokkenheid met de samenleving.

 

Antinomieën: Tegenstelling in verschillende opvoedingstheorieën.